Morgendienst, geestelijke wapenrusting (9, slot)
Zingen: Psalm 103 : 8 en 9 (i.v.m. overlijden mevr. Buijtenhuis)
Zingen: Psalm 19 : 6
Schriftlezing: Hebreeën 4
Zingen: Psalm 44 : 2, 3 en 4
Zingen: Psalm 119 : 6 en 45
Zingen: Gebed des Heeren : 3
Efeze 6 vers 17b
‘Het zwaard van de Geest’.
1) de functie van dat zwaard
2) de scherpte van dat zwaard
3) de hantering van dat zwaard
Vragen voor onze kinderen en jongeren:
1.Welke vijf wapens hebben we in de vorige preken leren kennen?
2.Wat is het bijzondere van dat zesde wapen?
3.Hoort een christen wel een zwaard te hebben?
4.Waar wijst dit wapen eigenlijk op?
5.En waarom staat er ‘het zwaard van de Geest’?
6.Kun je het voorbeeld navertellen over de aanval van satan die drie keer werd afgeslagen?
7.Waarom probeert de duivel juist het zwaard af te pakken, te beschadigen of onbruikbaar te maken?
8.Waarom is dat zwaard een ‘scherpsnijdend’ zwaard?
9.Leg uit: ‘Het zwaard van Gods Woord is een levend zwaard’.
10.Hoe heeft de Heere eerst dit zwaard gebruikt in het leven van alle ware strijders en hoe gaan ze het zelf gebruiken? Wat heb jij in je handen?
Middagdienst, leerdienst Dordtse Leerregels III/IV, 12
Zingen: Psalm 42 : 4
Zingen: Psalm 100 : 4
Schriftlezing: Ezechiël 36 : 16 – 32
Zingen: Psalm 65 : 1, 2 en 3
Zingen: Psalm 145 : 6
Zingen: Psalm 107 : 22
‘De ware bekering’.
1) Zonder ons (En dit…te worden)
2) In ons (Maar…geloven)
3) Door ons (En alsdan…bekeert)
Vragen voor onze kinderen en jongeren:
1.Waarover gaat het in paragraaf 12?
2.Welke vier ander namen worden voor de wedergeboorte genoemd? Kun je ze uitleggen?
3.Hoe lang duurt die wedergeboorte (in engere zin)? Kun je de twee Bijbelse voorbeelden noemen?
4.Op welke drie manieren wordt een mens niet bekeerd?
5.Hoe doet de Heere het nu wel?
6.Waarom zeiden ze vroeger: ‘een krachtdadige bekering’?
7.Wat bedoelen ze met een ‘zeer zoete’ werking?
8.Wat is het gevolg als God zo werkt in een zondaarshart?
9.Verlang jij naar dat wonder ‘zonder ons, in ons’? Waaraan is dat te merken?
10.Waarom staat er toch aan het eind van paragraaf 12 iets over ‘de mens die gelooft en zich bekeert’? Welk zinnetje is heel belangrijk?

