Paragraaf 5
Door zulke grove zonden vertoornen zij God zeer en maken zich des doods schuldig. Zij bedroeven de Heilige Geest en verbreken voor een tijd de oefening van het geloof. Ook verwonden zij hun geweten erg en verliezen soms voor een tijd het gevoel der genade.
Dat gebeurt, totdat zij door ernstige boetvaardigheid op de weg terugkeren. Dan verschijnt opnieuw Gods Vaderlijk aanschijn aan hen.
God vertoornt Zich erg over die zware zonden en de Heilige Geest wordt erdoor bedroefd. Ook werkt dan het geloof niet meer voor een tijd. Ze voelen soms voor een tijd niet meer dat ze genade van God gekregen hebben.
Zo blijft het, totdat ze met oprecht berouw weer op de goede weg terugkeren. Dan laat God Zijn Vaderlijk aanschijn (Zijn gunst en liefde) weer zien.
Paragraaf 6
Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt van de Zijnen de Heilige Geest, ook zelfs in hun droevig vallen, niet helemaal weg. Dat is naar het onveranderlijk voornemen van Zijn verkiezing.
Hij laat hen niet zover vervallen, dat zij van de genade der aanneming en uit de staat van de rechtvaardigmaking vallen.
Ook zondigen zij niet tot de dood of tegen de Heilige Geest. Zij worden door Hem niet geheel verlaten. Anders zouden zij zichzelf in het eeuwig verderf storten.
God neemt Zijn Heilige Geest door Zijn barmhartigheid niet helemaal weg. Ook al zijn Gods kinderen dan zo droevig in de zonde gevallen. Want Gods verkiezing is onveranderlijk.
Gods kinderen kunnen wel vallen, maar niet zo dat zij de genade helemaal verliezen. Nee, God verlaat hen niet helemaal. Anders zouden ze zich toch nog in het eeuwig verderf storten.