Liturgie DV zondag 1 november

Morgendienst/ bediening Heilige Doop/ vervolgpreek David (15)

 

Zingen:                  Psalm   81 : 12

Zingen:                  Psalm 119 : 57

Schriftlezing:  1 Samuël 22 : 1 – 5

Zingen (binnendragen) 105 : 5, (na doop) ps 134 : 3   

Zingen:                  Psalm   57 : 1, 2, 5, 6 en 7

Zingen:                  Psalm 111 : 5  

Na de dienst zingen we ‘Een vaste burcht’ vers 1 en 2

 

‘Spelonkbewoners’. 

1) hun ellende (vers 1, 2m)

2) hun hoop (vers 2a: ‘En tot hem vergaderde…’)

3) hun overste (vers 2c: ’en hij werd tot overste over hen’)

 

Vragen bij de preek:

1.Waar gaat David naar toe en hoe kun je daar ‘wonen’?

2.Hoe heeft David het gehad in Adullam en hoe weten we dat?

3.Wie komen er allereerst naar hem toe en waarom?

4.Hoe lijkt David hier op de Heere Jezus?

5.Welke drie soorten mensen komen er ook naar de spelonk?

6.Wat zegt Calvijn, Spurgeon en M. Henry van de spelonkbewoners?

7.Zijn er vandaag ook zulke mensen? Zou jij in dit gezelschap passen?

8.Welke diepe betekenis ligt er in de woorden ‘en tot hem vergaderde’?

9.Hoe is David ook hier weer een type (voorbeeld) van Christus?

10.Leg uit: ‘David was gezalfd tot koning, nu is hij overste’.

 

Middagdienst/ Heidelbergse Catechismus zondag 31

 

Zingen:                  Psalm    76 : 1

Zingen:                  Psalm    26 : 8

Schriftlezing:    Jesaja    62  

Zingen:                  Psalm      9 : 1, 2, 10, 11, 14 en 20 

Zingen:                  Psalm    99 : 2 en 8

Zingen:                  Psalm  146 : 8  

 

‘Wachter op Sions muur’

1) sleutelmacht van de wachter (vr./antw. 83)

2) sleutelwoord van de wachter (vr./antw. 84)

3) sleuteldaad van de wachter (vr./antw. 85)

 

Vragen bij de preek:

1.Waar komt de uitdrukking ‘sleutelen des hemelrijks’ vandaan?

2.Welke drie vormen van ‘tucht’ worden er in de preek genoemd?

3.Over welk rijk spreken we met zondag 31 en waarom hebben we het dan over ‘sleutels’ en de ‘wachter op Sions muur’?

4.Wat heeft de Heere Jezus gedaan toen Hij naar de hemel ging?

5.Kun je de twee ‘sleutels’ noemen en uitleggen?

6.Wat gebeurt er als die twee ‘sleutels’ worden gebruikt?

7.Wanneer gaat de ‘deur’ van het hemelrijk open? Kun je dat zelf doen? Wat vraagt de Heere van jou om te doen?

8.Welke ernstige klank hoor je bij het ‘sleutelwoord’?

9.Wat verstaan je onder de ‘sleuteldaad’?

10.Ben jij op reis naar het hemelrijk? Is de deur voor jou al geopend?