Liturgie Goede Vrijdag en Pasen

Goede Vrijdag

 

Zingen:            Psalm        65 : 2

Lezen: Dordtse Leerregels II, par. 1, 2 en 3           

Zingen: Gebed des Heeren : 6

Schriftlezing: Johannes   19 : 17 – 30

Zingen:            Psalm        69 : 9 en 13

Zingen:            Psalm        85 : 1 en 4 

Zingen:            Psalm      138 : 4

 

Johannes 19 : 30m

‘Het is volbracht’. Als:

1) een eindpunt 

2) een middelpunt

3) een beginpunt

 

Vragen bij de preek:

1.Met welke belangrijke regel uit dat oude lied begint de preek?

2.Waar komt die versregel vandaan?

3.Weet je nog welke ene woord er in het Grieks staat bij dit kruiswoord?

4.Waarom is dit woord ‘volbracht’ een eindpunt?

5.Welk werk heeft de Heere Jezus voltooid en welk werk gaat nog door?

6.Wat moest er bij God (de Vader) gedaan worden?

7.Waarom noemen we dit woord een ‘middelpunt’? Kun je het voorbeeld van de jaartelling uitleggen?

8.Leg uit: ‘Goede Vrijdag is de betaaldag voor Gods kinderen’. Verlang jij daar ook naar?

9.Waarom spreken we bij het woord ‘volbracht’ óók over een ‘beginpunt’?

10.Kun je alle kruiswoorden opnoemen en vertellen tegen Wie ze gesproken zijn? Wat is het bijzondere van het 6e kruiswoord?

 

1e Paasdag

Morgendienst met bediening Heilige Doop

 

Zingen:                  Psalm  150 : 3

Zingen:                  Psalm  119 : 27

Schriftlezing:   Johannes 20 : 1 – 10

Zingen:  Psalm 105 : 5 en Psalm 134 : 3

Zingen:                  Psalm    65 : 1, 4 en 6

Zingen:                  Psalm    68 : 17 

 

Johannes 20 : 1, 6 en 8.

‘Jezus zoeken’.

1) geeft verwarring (vers 1)

2) geeft verwondering (vers 6)

3) geeft verwachting (vers 8)

 

Vragen bij de preek:

1.Wat is er op Paasmorgen gebeurd in de hof van Jozef van Arimathéa?

2.Waarom weten we daar zo weinig van?

3.Over welke drie kinderen van God gaat het nu? Wat weet je van hen?

4.Wat ziet Maria Magdaléna en waarom is ze verward?

5.Wat mist deze Maria nu? Mis jij dat ook en wat doe je daarmee?

6.Welke discipelen gaan samen naar het graf en wie is er het eerst?

7.Wat ziet Petrus en waarom is hij verwonderd?

8.Wat heeft Johannes gezien?

9.Wat mogen Gods’ kinderen ‘zien’ in het lege graf?

10.Leg uit: ‘Dood waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning’.

 

Middagdienst, Heidelbergse Catechismus zondag 17

 

Zingen:                 Psalm    40 : 1

Zingen:                 Psalm    21 : 13 

Schriftlezing:  Johannes 20 : 11 – 23

Zingen:                 Psalm    16 : 3, 4, 5 en 6 

Zingen:                 Psalm  117

Zingen:                 Psalm    17 : 8

 

‘De vrucht van Pasen’.   

1) voor het geloof (ten eerste…maken)

2) voor de liefde (ten andere…leven)

3) voor de hoop (ten derde…opstanding)

 

Vragen bij de preek:

1.Wie zijn die ‘ons’ en die ‘wij’ uit Zondag 17 en wat moet je doen als je daar niet bij hoort?

2.Welke ‘staten’ heeft de Heere Jezus? Kun je het voorbeeld navertellen?

3.Wat heeft Christus met Zijn opstanding overwonnen?

4.En wat heeft Hij ‘verworven’ of verdiend?

5.Wat is ‘deelachtig maken’? Weet je nog het voorbeeld?

6.Wat is een ‘grafleven’ en waarom moeten wij ‘opgewekt’ worden?

7.Welk ‘leven’ wordt in het catechismus-antwoord bedoeld met ‘nieuw leven’?

8.Hoe kun je merken dat iemand dit ‘leven’ kent?

9.Wat is een ‘pand’ en welk pand hebben Gods kinderen?

10.Waar denk je aan bij de ‘zalige opstanding’ en is dat ook jouw toekomst?

 

2e Paasdag/ belijdenisdienst

 

Zingen:            Psalm           119 : 3

Lezen:              NGB, artikel 29

Zingen:    Gebed des Heeren : 3

Schriftlezing:   1 Korinthe    15 : 1 – 20

Zingen:            Psalm             17 : 2, 3 en 4

Zingen:            Psalm             27 : 7

Toezingen:      Psalm            84 : 3

Zingen:            Psalm             84 : 6

 

1 Korinthe 15 : 1 – 4 (4b is uitgangspunt)

‘De heerlijke boodschap van Pasen’.

1) In geloof aanvaard (m.n. vs 1)

2) In volharding bewaard (m.n. vs 2-4)

 

Vragen bij de preek:

1.Wat zeiden sommigen mensen toen en zeggen sommige mensen vandaag over de opstanding der doden?

2.Wat is een ‘zeepbellen-geloof’?

3.Welk middel gebruikt de Heere om het geloof te werken?

4.Welke opdracht krijg jij om dat geloof ook te ontvangen?

5.Leg uit: ‘Het geloof is een gave van God’.

6.Hoe komt een echte christen nu precies aan het ware geloof?

7.Waarom staat er bij ‘in hetwelk gij ook staat’? Waaraan (misschien aan wie) heeft Paulus gedacht?

8.Waarvan is niet-volharden een bewijs (volgens kanttekening 7)?

9.Wat zijn de twee belangrijkste zaken van het christelijk geloof?

10.Welke bewijzen geeft de apostel van de opstanding?